Afbeelding 1: Met de komst van de cilinderpers, of snelpers, deed de mechanisatie haar intrede in de drukkerij, omdat ze via drijfriemen en transmissieassen door een stoommachine konden worden aangedreven.
Dat drukkerijen over het algemeen niet snel onder de industriële sector geschaard worden kan op de eerste plaats toegeschreven worden aan hun bedrijfspanden. Die bevonden zich vaak in binnensteden en waren in de gevelrijen op het eerste gezicht niet te onderscheiden van de kantoorgebouwen van banken, verzekeraars of administratieve instellingen. En dat was ook helemaal de bedoeling van deze ondernemers die door hun klanten niet geassocieerd wilden worden met fabrieken, maar juist met bedrijven waarin het ook ‘om papier draaide’. Lezen is, en vooral was, een intellectuele bezigheid voor geschoolde mensen die ver af stonden van de veelal laag- en ongeschoolde fabrieksarbeiders die het van hun kracht en uithoudingsvermogen moesten hebben. De opleidingsgraad van werknemers in drukkerijen was dan ook aanzienlijk hoger omdat het produceren van foutloze teksten nu eenmaal een behoorlijke geletterdheid vereiste. Maar hoezeer een boek of krant intellectueel gezien dan ook verheven mag zijn boven fabrieksproducten, wanneer ze in grote oplage moeten verschijnen kan dat alleen doormiddel van een in hoge mate gemechaniseerd, en daarmee industrieel proces. Drukkerijen, lettergieterijen en boekbinderijen gingen daarom samen de grafische industrie vormen. Het midden- en kleinbedrijf is daarbinnen echter altijd blijven domineren en zelfs bij de grote ondernemingen bleven productiehallen, machinekamers en ketelhuizen met fabrieksschoorstenen – destijds de kenmerken van een industrieel bedrijf – een absolute zeldzaamheid. Eind vorige eeuw vestigden velen zich op bedrijfsterreinen in gebouwen vergelijkbaar met wat andere industriële ondernemingen er als huisvesting lieten optrekken en zijn vanaf die tijd samen met hen in de neerwaartse spiraal beland van de postindustriële economie.
Afbeelding 2: De drukkerij van Christoffel Plantijn in Antwerpen dateert uit de tweede helft van de zestiende eeuw. Sindsdien veranderde er weinig aan haar inrichting, die al vanaf 1876 door het publiek bewonderd kan worden.
Door de uitvinding van de boekdrukkunst rond 1450 verplaatste de vervaardiging van boeken zich van de scriptoria in de kloosters naar drukkerijen in de steden, zoals Antwerpen. In de zestiende eeuw kon deze stad dankzij haar ontwikkeling tot handelsmetropool van Noord-Europa ook tot typografisch centrum van de Nederlanden uitgroeien. Er was een rijke clientèle voor religieuze en wereldse boeken, voldoende investeringskapitaal om een drukkerij te financieren en een tolerant klimaat. Christoffel Plantijn maakte hiervan gebruik toen hij in 1555 zijn Officina opende en daarmee reeds vijftien jaar later de status van aartsdrukker des konings verwierf. In 1574 had hij de beschikking over zestien persen met een personeelsbezetting bestaande uit dertig drukkers, twintig zetters en drie proeflezers. Buiten de Officina werkten nog tal van boekbinders en graveurs voor rekening van Plantijn. Ze behoorden tot de best betaalde krachten van de stad, maar maakten wel werkdagen van ruim twaalf uur. Dagelijks kwamen er niet minder dan twaalfhonderd gedrukte bladen van elke pers, wat neerkwam op drie à vier bladzijden per minuut. De tekst werd gezet in een houten vorm, die met de pers werd afgedrukt op vochtig papier. De drukker zorgde voor het fixeren van dit papier, een helper voor het inkten. Drie persen werden van zetwerk voorzien door twee zetters, die konden kiezen uit een grote sortering aan lettertypen. Hoewel de Officina een eigen lettergieterij had werd het meeste lettermateriaal ingekocht. Voor het illustreren van zijn uitgaven gaf Plantijn de voorkeur aan de fijne kopergravure in plaats van de veel goedkopere houtsnede. Weliswaar was de vraag naar bijbels, liturgische werken, brevieren en missalen het grootst, toch bracht hij ook veel werken van klassieke auteurs, filologische studies en wetenschappelijke traktaten uit. Deze werden verkocht in de eigen winkel, via handelsagenten in binnen- en buitenland, op de Frankfurter Buchmesse of door filialen in Leiden, Parijs en Salamanca. Oplagen tot wel twaalfhonderd exemplaren zorgden voor een snelle verspreiding van de jongste kennis op het gebied van de anatomie (Vesalius), botanica (Dodoens), wiskunde (Stevin) en geografie (Ortelius en Waghenaer).
Ondanks de roerige tijd van de Tachtigjarige Oorlog, met de Spaanse Furie van 1576 als dieptepunt voor Antwerpen, publiceerde Plantijn in vierendertig jaar meer dan vijftienhonderd werken. Deze zijn tot op de dag van vandaag grotendeels bewaard gebleven in de oude bibliotheek van het Museum Plantijn Moretus, dat gevestigd is in drukkerij die door schoonzoon Jan Moretus en kleinzoon Balthasar Moretus werd uitgebouwd tot een complex in renaissance-architectuur rond een groot binnenhof. Naast de drukkerij, zetterij, lettergieterij, winkel en bibliotheek zijn ook de kantoren en woonruimten in hun oorspronkelijke toestand behouden gebleven omdat ze sinds de achttiende eeuw geen verandering meer hebben ondergaan. Door de economische achteruitgang van de stad als gevolg van de afsluiting van de Schelde door de Republiek was het bedrijf toen een kwijnend bestaan gaan leiden. Het laatste boek kwam in 1867 van de persen, maar de familie Moretus leefde toen al lang niet meer van de opbrengsten. Na verheffing in de adelstand in 1692 was ze gaan rentenieren en verkocht de drukkerij in 1876 aan de stad Antwerpen die ze als museum openstelde voor het publiek. Het is een typische voorbeeld van een manufactuur zoals die in de vroegmoderne tijd ook ontstonden voor de vervaardiging van andere luxeproducten zoals zijde, tapijten, porselein en glaswerk, door ambachtslui hun werk onder één dak in dienst van een ondernemer te laten verrichten.
Afbeelding 3: Eeuwenlang waren letterkasten een vertrouwd beeld in de zetterij, voordat ook deze gemechaniseerd werd met Linotypes en Typographs.
Tot halverwege de negentiende eeuw was de vraag naar drukwerk nog vrij klein. Kranten verschenen in beperkte oplage om vooral in sociëteiten en koffiehuizen gelezen te worden en boeken waren een schaars verschijnsel in de huiskamer van de gemiddelde burger. Door de toenemende geletterdheid als gevolg van onderwijswetten, waardoor aan het einde van de eeuw het analfabetisme bijna uitgeroeid was, kwam hier echter snel verandering in. De behoefte onder de krantenlezers aan informatie over wereldgebeurtenissen als oorlogen en revoluties nam snel toe. Door de industrialisatie steeg de hoeveelheid bedrukt verpakkingspapier, handelsdrukwerk en reclamemateriaal explosief. Bedroeg het aantal boekhandels in 1867 ruim negenhonderd, dertig jaar later waren er dit al meer dan vijftienhonderd. Enerzijds kon aan deze toenemende vraag naar drukwerk worden voldaan omdat er steeds meer drukkerijen kwamen. Terwijl ons land er daar er daar in 1850 nog maar 175 van telde, was dit in 1890 al opgelopen tot bijna zevenhonderd. Anderzijds nam gelijktijdig hun productiviteit toe door modernisering van het machinepark. In diezelfde periode profiteerden de krantendrukkerijen van de afschaffing van het dagbladzegel in 1869 en de overschakeling van de papierindustrie op houtpulp als grondstof voor goedkoop krantenpapier. Na de eeuwwisseling bleef het aantal drukkerijen toenemen met vooral veel kleinere ondernemingen die met tweedehands drukpersen onder kostprijs gingen werken, met veel faillissementen en prijsbederf tot gevolg. Na oprichting van de Bond van Boekdrukkerijen in 1909, die in 1916 een bindend prijstarief instelde, brak er weer een bloeiperiode aan voor de grafische industrie die duurde tot de crisis van de jaren dertig. Voor de sector brak na oorlog en wederopbouw opnieuw een gouden tijd aan, omdat door het toegenomen welvaartspeil en opleidingsniveau vrijwel alle huishoudens wel een abonnement op een dagblad of zelfs geïllustreerd tijdschrift hadden. Maar ook het drukken van reclamefolders, postordercatalogi en televisiegidsen leverden interessante contracten op. De opkomst van het internet maakte hier een einde aan en na de laatste eeuwwisseling regende het fusies en bedrijfssluitingen.
Zoals reeds in de inleiding gesteld heeft in de grafische industrie het midden- en kleinbedrijf altijd gedomineerd. Het aantal sterk gemechaniseerde drukkerijen met meer dan vijftig werknemers is in Nederland betrekkelijk gering gebleven. Hun vestigingslocatie werd bepaald door nabijheid van een klantenkring, wat vanzelfsprekend neerkwam op de stedelijke gebieden. De grootste concentratie van drukkerijen was kort na 1900 nog te vinden in de Hollandse steden: negentig in Amsterdam, vijfenvijftig in Rotterdam en dertig in Den Haag. Deze concentratie gold ook voor de boekbinderijen, terwijl het aantal lettergieterijen op de vingers van één hand te tellen was. In de negentiende eeuw waren de meeste drukkerijen nog gespecialiseerd in boekdruk, plaatdruk of steendruk en waren combinaties een zeldzaamheid. Boekdrukkerijen waren indertijd het meest talrijk en hadden doorgaans een eigen binderij. Scholing van werknemers vond grotendeels binnen de bedrijven plaats zoals dat voorheen binnen de gilden het geval was geweest. De eerste grafische school werd pas in 1907 in Utrecht opgericht, gevolgd door Den Haag in 1912 en Amsterdam in 1918. Opleidingseisen werden in 1917 opgenomen in de CAO en in 1919 in de Nijverheidsonderwijswet, wat de verdere professionalisering van de sector ten goede kwam. Een volwaardige werknemer diende voortaan een opleiding aan een erkende vakschool te hebben doorlopen. Net als in andere opkomende industrietakken waren de werkdagen lang (twaalf uur) en vond er veel overwerk en zondagswerk plaats omdat drukkerijen aan korte leveringstijden waren gebonden. De lonen lagen onder het gemiddelde van industrie, hoewel wat hoger dan omvangrijke sectoren als de textiel en de metaal. Opvallend was echter dat er al vroeg hulpfondsen voor, en verenigingen van arbeiders in de grafische industrie tot stand kwamen en in 1866 was de Algemene Nederlandsche Typografenbond de eerste vakbond in ons land. Deze kreeg het voor elkaar dat in 1884 de tienuren-werkdag werd ingevoerd en voor de eeuwwisseling onbetaald over- en zondagswerk nauwelijks nog voorkwam. Ook de werkgevers organiseerden zich, eerst in de Nederlandsche Vereniging van Boekdrukkers Patroons (1866), daarna in de Nederlandsche Bond van Boekdrukkerijen (1909) die in 1914 de eerste Collectieve Arbeids Overeenkomst (CAO) in de Nederlandsche geschiedenis afsloot.
Afbeelding 4: De introductie van de rotatiepers deed de productiviteit van de drukkerijen sterk stijgen. Hier een exemplaar waarmee halverwege vorige eeuw door Drukkerij Helmond kranten werden gedrukt.
De degelpersen die aan het begin van de negentiende eeuw werden gebruikt leken nog sterk op die van Christoffel Plantijn. Rond 1800 vond de Engelsman Charles Stanhope de ijzeren pers uit die door een systeem van hefbomen en contragewichten een hogere druk kon uitoefenen. De eerste Stanhope-pers werd in 1816 bij Joh. Enschedé & Zn. te Haarlem geplaatst. Wat illustraties betreft maakte vanaf 1820 de kopergravure plaats voor het graveren in staalplaten die veel langer mee gingen, maar de echte doorbraak op dit gebied was de steendruk. Dit door Alois Senefelder in 1806 ontwikkelde vlakdrukprocedé dat lithografie ging heten was gebaseerd op een opeenvolging van drukstappen met vette inkten in diverse kleuren aan een steenoppervlak dat was voor-behandeld met zuur en Arabische gom. Hiermee konden kleurenillustraties van bijzonder hoge kwaliteit gemaakt worden die geliefd waren voor reclameaffiches, maar niet gecombineerd konden worden met hoogdruk en daardoor vaak te duur waren voor boekillustratie. Halverwege de negentiende eeuw verschenen de eerste lettergietmachines die zo’n twintigduizend letters per dag produceerden in plaats van de vierduizend die een handgieter realiseerde. Deze konden dankzij een eerste generatie (‘koude’) zetmachines, zoals die van Young & Delcambre (1840), Hattersley (1857) en Kastenbein (1859), ook sneller verwerkt worden om het alsmaar hogere tempo van de drukpersen bij te houden. Revolutionair was echter de combinatie van het giet- en zetproces in een zogenaamde ‘hete’ zetmachine die rond 1885 een feit was. Deze Linotype van de Amerikaan Ottmar Mergenthaler werd in 1894 als eerste geïnstalleerd door de Amsterdamse drukker Charles Binger en tien jaar later hadden zo’n dertig Nederlandse bedrijven er al één of meerdere van staan. Andere zetmachines die volgden waren de (goedkopere) Typograph, de Monotype en de Stereotype, die een matrijs voortbracht om het zetsel later nogmaals te kunnen gieten voor een herdruk.
De drukpers veranderde in een drukmachine toen de Duitser Friedrich König in 1810 één van beide platen verving door een roterende cilinder voor het papiertransport die met stoomkracht kon worden aangedreven. Hiermee konden maximaal zestienduizend vellen per uur worden bedrukt en Joh. Enschedé & Zn. was in 1828 de eerste in ons land die er één kocht. In de rotatiepers, die omstreeks 1850 geïntroduceerd werd, was een cilindrische drukvorm opgenomen waar het papier door een tweede rol tegenaan werd gedrukt. Deze machine leende zich bij uitstek voor het bedrukken van continue papierbanen, alvorens deze tot kranten te snijden en te vouwen. De productiesnelheid bedroeg aanvankelijk vijftienduizend vellen per uur, maar aan het eind van de eeuw was dit al opgelopen tot bijna vijftigduizend. De eerste rotatiepers in Nederland werd in 1878 in gebruik gesteld. Net als in andere sectoren ging de VS na de eeuwwisseling ook binnen de grafische industrie de toon zetten, wat reeds in 1904 bleek toen Ira Washington Rubel het Offset drukproces uitvond. Hij voegde een derde cilinder aan de rotatiepers toe, die bekleed was met rubber en de inkt op het papier overdroeg. Belangrijker was echter dat de vormcilinder omhuld was met een zinken plaat waarop het af te drukken model fotochemische kon worden aangebracht, in plaats van handmatig door een lithografisch tekenaar in de steendrukkerij. Een offsetpers haalde wel dertigduizend afdrukken per uur en kon ook probleemloos ruwer papier verwerken, zoals voor verpakkingsmateriaal. De eerste toepassing van offsetdruk in Nederland dateert van 1918, maar pas na 1945 zou ze echt een vlucht gaan nemen en de hoogdruktechniek gaan verdringen. Het inbinden van boeken maakte in de loop van vorige eeuw steeds meer plaats voor het naaien omdat dit beter te mechaniseren was, hetgeen vanaf de jaren twintig ook daadwerkelijk opgang maakte.
Het onroerend erfgoed uit de grafische industrie is in Nederland goed vertegenwoordigd, omdat herbestemming van voormalige drukkerijen over het algemeen eenvoudiger is dan van fabrieken. Hun ligging in binnensteden met een potentieel grote aanloop van publiek maakt ze geschikt voor uiteenlopende organisaties die hier op aangewezen zijn. Hun representatieve kantoorgebouwen aan de straat lenen zich ook voor administratieve dienstverleners, onderwijsinstellingen of voor ombouw tot woningen. De groei van de grafische industrie viel samen met de bloei van de Jugendstil-architectuur en veel van haar bedrijfspanden werden dan ook voorzien van een rijk bewerkte gevel met deze stijlkenmerken. De eigenlijke drukkerij bevond zich meestal aan het achtererf, met een verstevigde vloer voor de zware drukmachines op de begane grond en de zetterij op de eerste etage. Ook hier zijn voorbeelden van bewaard gebleven, al zijn ze ook regelmatig gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.
Afbeelding 5: De naam van Wyt & Zn. staat nog altijd op de gevel van het pand waarin de drukkerij van 1925 tot 1994 gevestigd was, nadat ze reeds in 1804 in Rotterdam als boekhandel was begonnen. Na restauratie in 2004 zijn er woningen en kantoorruimtes in ondergebracht.
Drukkerij Wyt & Zn. gaf een eeuw lang het ‘Dagblad Scheepvaart’ en het ‘Adresboek Rotterdam’ uit en werd daardoor een begrip in de havenstad. Het intensieve contact met de maritieme sector was in 1923 aanleiding om het nieuwe bedrijfspand nabij de Coolhaven aan de Pieter de Hoochweg te laten optrekken. De Scheepvaartvereniging Zuid had zich enkele jaren eerder aan deze straat gevestigd en de verwachting was dat de buurt zich tot een havenkwartier zou gaan ontwikkelen. Wyt & Zn. gaf architect Willem Kromhout opdracht om de drukkerij in dezelfde stijl van het zakelijk expressionisme op te trekken. Met statige rondbogen op de begane grond, uitbundig siermetselwerk en ornamenten van natuursteen leverde hij in 1925 een gebouw af dat even prestigieus is. De drukkerij was in 1804 als boekhandel aan de Boerenvischmarkt begonnen door Melchior Wyt, zoon van een Duitse immigrant. De onderneming verhuisde naar de Toerijstuin (1826) en daarna naar de Westnieuwland (1868), waar een snelpers werd geplaatst, aangedreven door een stoommachine. De naam Wyt & Zonen bleef gehandhaafd toen de drukkerij na de eeuwwisseling over ging op de familie Lans. Na faillissement in 1994 volgde een doorstart onder de naam Thieme Mediacenter Rotterdam, dat op haar beurt in 2010 failliet ging. Het bedrijfspand was ondertussen door Stadsherstel Rotterdam grondig gerestaureerd, waarbij ook de directiekamer en kantoren hun oude luister herkregen. Sindsdien zijn er woningen en kantoren in ondergebracht.
Afbeelding 6: In de voormalige lettergieterij van Joh. Enschedé & Zn. aan het Klokhuisplein in Haarlem is nu een restaurant gevestigd.
In Haarlem bestaat een lange drukkerstraditie, maar dat de boekdrukkunst er zou zijn uitgevonden door Laurens Jansz. Coster is zeer onwaarschijnlijk. Internationaal zijn historici het er min of meer over eens dat die eer toekomt aan Johannes Gutenberg uit het Duitse Mainz. Hoewel de claim dus onterecht is heeft Haarlem er in ieder geval een standbeeld op haar Grote Markt aan overgehouden. Nog geen honderd meter daar vandaan aan het Klokhuisplein staat het pand waarin tot 1980 de drukkerij Joh. Enschedé & Zn. was gevestigd. Het bedrijf was landelijk bekend vanwege de postzegels, bankbiljetten, paspoorten en rijbewijzen die er gedrukt werden en de geschiedenis ervan gaat terug tot 1703 toen Izaak Enschedé toetrad tot het gilde der boekdrukkers. Van 1737 tot 1940 gaf het de ‘Opregte Haarlemsche Courant’ uit en in 1810 werden er voor het eerst bankbiljetten gedrukt, zij het dat deze enkel voor de koloniën bestemd waren. Het waardepapier en de officiële documenten die Joh. Enschedé & Zn. drukte stonden bekend om hun vernuftige beveiligingskenmerken en vooruitstrevende ontwerpen. Tot in de jaren negentig zaten er leden van de Enschedé-telgen in de directie en tot 2005 was het bedrijf nog gedeeltelijk in handen van de familie. De productie vond toen inmiddels al ruim twintig jaar plaats op het industrieterrein de Waarderpolder aan de rand van de stad en het drukkerijgebouw met fabrieksschoorsteen, dat achter de gevelrij aan het Klokhuisplein schuilging, bestond toen ook al niet meer. De woonhuizen in die gevelrij gingen in de loop van de negentiende eeuw dienst doen als kantoren van de drukkerij. Daartussen bevindt zich de lettergieterij met gedenksteen die in 1870 gebouwd is en nu een restaurant huisvest.
Afbeelding 7: Het Jugendstilpand van het ‘Nieuwsblad van het Noorden’ aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen is tegenwoordig een uitzendbureau.
De redactie en drukkerij van de in 1888 opgerichte krant ‘Het Nieuwsblad van het Noorden’ huisde tot 1997 in een fraai Jugendstilpand aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen. Het gebouw, dat in 1902 ontworpen werd door de architect Gerrit Nijhuis, is tegenwoordig een Rijksmonument. Achter het drie verdiepingen tellende kantoorpand bevonden zich de productieafdelingen, met drukkerij en expeditie op de begane grond en de zetterij daarboven. Uitgeverij Hazewinkel Pers, die de krant vrijwel vanaf haar oprichting liet verschijnen, voegde deze in 2002 samen met het Groninger Dagblad en de Drentse Courant tot het Dagblad van het Noorden. De uitgeverij zelf fuseerde vijf jaar later met de Friese Pers tot het Mediahuis Noord en is alweer geruime tijd gevestigd aan de Lübeckweg. In het kantoorpand aan het Gedempte Zuiderdiep is nu uitzendbureau Randstad gehuisvest, de daar achter gelegen productiegebouwen zijn allemaal gesloopt.
Afbeelding 8: Het kantoorgebouw van drukkerij Vrijdag in Eindhoven is ontworpen in de stijl van het traditionalisme met een groot reliëf op de voorgevel.
In 1905 begonnen Chris Schäfer en Louis Vrijdag in Eindhoven een kleine drukkerij om bladmuziek te vermenigvuldigen voor enkele plaatselijke zangkoren. Al snel maakten ook de sigarenfabrikanten en Philips gebruik van hun diensten voor het drukken van reclamemateriaal zoals wikkels, verpakkingen en etiketten. Vanaf 1925 zette Louis Vrijdag, hoewel van oorsprong onderwijzer en geen drukker zoals Schäfer, alleen het bedrijf voort en ging zijn naam daar aan verbinden. Na zijn overlijden in 1937 werd hij opgevolgd door zijn zonen Peter en Louis Jr. In 1948 legde een verwoestende brand de drukkerij in de as en besloten beiden om een nieuwe te bouwen aan de stadsringbaan die ter plaatse Limburglaan heet. Het pand kwam gereed in 1952 en bood de mogelijkheid om het productenpakket uit te breiden tot reclamefolders, boekwerken en handelsdrukwerk. Onder de naam Vrijdag Premium Printing is het bedrijf hier nog altijd actief, hoewel sinds 2021 als onderdeel van IT-bedrijf Simac.
Afbeelding 9: Het bedrijfspand van drukkerij J. van Boekhoven op de hoek van de Breedstraat en het Begijnhof in Utrecht kreeg door zijn opvallende gevels de bijnaam ‘Het Kasteel’ en is sinds 1976 een wooncomplex.
De eerste vermelding van drukkerij J. van Boekhoven dateert uit 1844 en ze was toen nog gevestigd in het zeventiende-eeuwse huis ‘De Coninck van Poortugael’ aan de Voorstraat in Utrecht. Na tien jaar had Jacobus van Boekhoven er al veertien man in dienst en betrok een nieuw pand aan het Begijnhof om verder te kunnen uitbreiden. Dat laatste was al het geval toen hij in 1864 en 1869 naastgelegen panden aankocht en aan zijn drukkerij toevoegde. Met twaalf persen begon Van Boekhoven tot de grote drukkers van de stad te behoren, waarvan er toen een achttal waren. Opdrachten voor de Staats Spoorwegen, waaronder die voor de onmisbare spoorboekjes, leverden hem veel werk op en in 1883 had hij al zestig man op de loonlijst staan. Door het drukken van proefschriften, redevoeringen en bijzondere uitgaven bestond er ook een nauwe band met de Universiteit Utrecht. De grote persen werden al door stoom aangedreven, waarvoor een ketelhuis beschikbaar was. Na Jacobus’ overlijden in 1897 zette zijn weduwe Adriana van Boekhoven Leydenroth het bedrijf voort, gevolgd door haar neef Willem Leydenroth van Boekhoven tot 1929. In 1931 werd de drukkerij, waar toen zo’n driehonderdvijftig mensen werkten, getroffen door een brand waarbij de zetterij en het papiermagazijn verloren gingen. De herstelwerkzaamheden waren de opmaat voor een grote uitbreiding aan de Breedstraat die in 1939 gereed kwam en het complex haar bijnaam ‘Het Kasteel’ gaf. De eerste offset-machine werd in 1961 in gebruik genomen en vijf jaar later kwam de drukkerij als NV J. van Boekhoven bekend te staan. Na fusie met drukkerij Bosch & Zn. in 1968 volgde in 1971 de verhuizing naar een bedrijventerrein in het stadsdeel Kanaleneiland. Het Kasteel werd in 1975 omgebouwd tot een wooncomplex met achtendertig eenheden, dat het nog altijd is.
Afbeelding 10: Van het drukkerijcomplex van Brepols in Turnhout resteert nog een kantoorgebouw uit de jaren dertig waarin tegenwoordig de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten gehuisvest is.
Het stadje Turnhout in de Belgische Kempen ontwikkelde zich halverwege de negentiende eeuw tot een centrum van papier- en grafische industrie, met speelkaarten en behangpapier als belangrijkste producten. De oorsprong daarvan gaat terug tot 1795 toen Philippus Jacobus Brepols er een drukkerij begon en deze vijf jaar later uitbreidde met een winkel, papierhandel en boekbinderij. In 1826 begon de vervaardiging van speelkaarten, waartoe in 1829 een steendrukkerij in gebruik werd genomen. Kleinzoon Jan Guillaume Dierckx liet in 1862 een fabriek voor sierpapier bouwen, waarvoor de kennis werd geleverd door zijn schoonvader uit Beieren. Na Dierckx’ vroegtijdige dood huwde zijn weduwe Josephine Frederica Dessauer met Arthur Dufour, die de fabriek verder uitbreidde tot bijna duizend werknemers toen zoon François Dufour er in 1900 leiding aan ging geven. Uiteindelijk ging het complex in de loop van vorige eeuw bestaan uit een Fabriek A met boekdrukkerij en –binderij, Fabriek B voor speelkaarten en fantasiepapier en Fabriek C voor behangpapier. Vanaf 1929 gingen offset-machines de oude steendrukpersen vervangen. Haar maximale omvang bereikte de onderneming na de oorlog met een personeelsbestand van meer dan tweeduizend werknemers, voordat ze werd opgesplitst in vier afzonderlijke bedrijven, waarvan de uitgeverij en binderij de naam Brepols zijn blijven voeren. De speelkaartenfabriek ging met twee Turnhoutse branchegenoten verder als Cartamundi. Een lange periode van leegstand volgde voordat in 2020 het drukkerijcomplex een nieuwe bestemming kreeg. Het betreft daarbij overigens het jongste gedeelte dat uit 1937 dateert en na restauratie onder de naam Kunstencampus Turnova de opleidingen van Stedelijke Academie voor Schone Kunsten huisvest.
Afbeelding 11: Aan drukkerij Glénisson uit Turnhout herinnert nog een kalander waarmee het karton voor de speelkaarten samengeperst werd.
Jacques Eduard Glénisson leerde het drukkersvak bij zijn oom Philippus Jacobus Brepols en startte in 1833 aan de Warandestraat zijn eigen bedrijf samen met schoonbroer Antoine van Genechten. Hun assortiment bestond uit kerkboeken, sierpapier, speelkaarten en lithografische prenten. Vanaf 1855 ging Glénisson alleen verder nadat Van Genechten een eigen drukkerij aan de Merodelei was begonnen. Zoon Eduard Glénisson nam na de dood van zijn vader in 1890 het roer over, maar kon niet op tegen concurrent Brepols en sloot het bedrijf in 1899. Na uiteenlopend gebruik gedurende vorige eeuw kregen de gebouwen uiteindelijk een woonbestemming. Op het binnenplein herinnert nog een kalander waarmee het karton voor de speelkaarten werd vervaardigd aan de nijverheid die hier eens plaatsvond. De geschiedenis van dit product waarmee Turnhout tot over de grenzen bekend was staat centraal in het Nationaal Museum van de Speelkaart dat sinds 1988 gevestigd is in de voormalige drukkerij van de firma Mesmaekers uit 1926. Naast een grote collectie speelkaarten, waarvan de oudste uit de zestiende eeuw dateren, toont het museum een aantal historische drukpersen en een stoommachine waarmee deze konden worden aangedreven.
Afbeelding 12: De gevel van drukkerij Vooruit aan de Sint-Pieters-Nieuwstraat in Gent is een juweeltje van Art-Déco waarachter sinds 2024 een vestigingslocatie voor startups schuilgaat.
Als eerste stad op het Europese vasteland die zich rond 1800 begon te industrialiseren groeide Gent in de loop van die eeuw uit tot een bolwerk van arbeidersemancipatie met journalist Edward Anseele als hun grote voorman. In 1884 richtte hij de krant ‘Vooruit’ op die spoedig zou uitgroeien tot het blad van de Belgische Werkliedenpartij. Het werd ook de naam van een coöperatie met een broodfabriek en zalencomplex voor arbeiders met een socialistische overtuiging. Laatstgenoemd ‘Feestlokaal van Vooruit’ werd in 1913 geopend in de Sint-Pieters-Nieuwstraat en bood hen gelegenheid om voor een schappelijke prijs te eten, drinken en van cultuur te genieten. Daarnaast drukte men er ook de krant, totdat in 1930 besloten werd om hier een apart drukkerij- en redactiegebouw voor in te richten. Een schuin tegenover gelegen herenhuis werd hiertoe aangekocht en door architect Fernand Brunfaut van een representatieve Art-Décogevel voorzien. De hoogtijdagen beleefde de krant in de jaren vijftig met een oplage van meer dan vijftigduizend. Door fusie met de Volksgazet in 1978 wist ‘Vooruit’ haar bestaan te verlengen tot in 1991 uiteindelijk het doek viel. Het drukkerijgebouw had toen na een periode van leegstand al een nieuw bestemming gekregen als cultureel centrum Backstage. Na renovatie deed het tussen 2009 en 2016 dienst als hostel en ging in 2020 weer open als belevingslocatie van de Gentse vereniging voor studentenhuisvesting Upgrade Estate. Sinds 2024 biedt deze organisatie de mogelijkheid aan start-up-bedrijven om er zich in te vestigen.
Afbeelding 13: In de voormalige drukkerij van ‘Offizin Andersen Nexö’ in het Duitse Leipzig is sinds 1994 het Museum für Druckkunst ondergebracht.
De Duitse stad Leipzig kent een eeuwenlange boekentraditie die nauw verbonden was met haar status als ‘Messestadt’. In 1900 telde de stad 2200 ondernemingen op dit gebied, waaronder 850 uitgeverijen en boekhandels, 200 boekbinderijen en 190 drukkerijen. Deze waren grotendeels gevestigd in het ‘Graphisches Viertiel’, gelegen tussen de Hauptbahnhof, Bayerischen Bahnhof en Eilenburger Bahnhof. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging veel hiervan verloren als gevolg van de luchtbombardementen. Ondanks wederopbouw verloor de wijk daarna haar vroegere glans, omdat veel ondernemingen hun zetel verplaatsten naar het vrije West-Duitsland. Na de Duitse hereniging van 1990 keerden enkele van hen weer terug en kan er vandaag de dag weer met recht van een Graphisches Viertel gesproken worden, hoewel beduidend kleiner dan in het verleden. Dat verleden wordt aan de andere zijde van de binnenstad in leven gehouden door het ‘Museum für Druckkunst’ dat gevestigd is in de voormalige boekdrukkerij van ‘Offizin Andersen Nexö Leipzig’ aan de Nonnenstraße. Als uitgeverij was ze bekend onder de merknaam ‘OAN’ en beschikte naast de drukkerij ook over een eigen boekbinderij en een manufactuur voor prestigieuze uitgaven. Voortgekomen uit een drukkerij die al in 1746 actief was vanuit het ‘Haus zum Goldenen Schiff’, ging men de naam Andersen Nexö pas vanaf 1954 voeren naar aanleiding van een DDR-richtlijn om bedrijven bij voorkeur naar socialistische helden te noemen. De Deense schrijver Martin Andersen Nexö had er vanwege zijn communistische idealen op hoge leeftijd voor gekozen om in de DDR te gaan wonen, waar hij in 1954 stierf. Ondanks haar alom geprezen reputatie als uitgever van kwaliteitsboeken op allerlei terreinen kwam ook OAN in financiële moeilijkheden en ging in 2015 failliet. Het gebouw aan de Nonnenstraße was al in 1994 overgedaan aan de ‘Gesellschaft zur Förderung der Druckkunst Leipzig’ die er een museum in opende waar werkende machines getoond worden en workshops worden gegeven.
Afbeelding 14: In het Bretonse stadje Châtelaudren werd vanaf 1922 het populaire vrouwenblad ‘Le Petit Écho de la Mode’ gedrukt in deze voormalige papierfabriek. Ze beschikte over een waterkrachtcentrale waarmee elektriciteit werd opgewekt voor de zet- en drukmachines.
Een grote drukkerij is niet wat je vroeger zou verwachten in een slaperig Bretons stadje als Châtelaudren. De inwoners hadden deze grote werkgever echter te danken aan een razend populair tijdschrift dat hier vanaf 1922 van de persen rolde: ‘Le Petit Écho de la Mode’. Het was in 1879 opgericht door de Bretonse politicus Charles de Penanster en bereikte in 1900 al een oplage van driehonderdduizend exemplaren. Hoofdredacteur was zijn echtgenote Claire Le Roux die van het praktische, gezinsgerichte weekblad een vrouwentijdschrift maakte met een sterke nadruk op mode. Daarnaast besteedde het aandacht aan handwerken, koken, opvoeding, interieurinrichting en etiquette. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stonden de nummers vol met praktische zaken waarmee de lezers de militairen in de loopgraven konden ondersteunen. Met een oplage van anderhalf miljoen werd in 1960 een hoogtepunt bereikt, waarna zich een scherpe daling inzette. Re-styling door designicoon Raymond Loewy bracht daar geen kentering in en de aangepast naam ‘Écho’ al evenmin. In 1983 viel daarom het doek voor het tijdschrift en daarmee ook voor de drukkerij. Die was oorspronkelijk begonnen als een papierfabriek waarvan de machines door waterkracht werden aangedreven, wat na 1922 ook ging gelden voor de drukpersen. In de hoogtijdagen werkten er zo’n tweehonderdvijftig mensen, waarvan een meerderheid vrouwen. Het bedrijf speelde daarmee een grote rol in hun emancipatie, want in het conservatief-katholieke Bretagne waren de ontplooiingsmogelijkheden voor vrouwen indertijd nog vrij beperkt. Het feit dat de drukkerij daarmee méér dan alleen een werkgever was voor Châtelaudren vormde de aanleiding om het gebouw na sluiting van de drukkerij te restaureren en een nieuwe bestemming te geven als cultureel centrum. In enkele ruimtes van deze ‘Pôle Culturel Le Petit Echo de La Mode’ zijn naast de oude zet- en drukmachines ook nog delen van de waterkrachtcentrale te bewonderen.
Afbeelding 15: In de drukkerij van ‘Le Petit Écho de la Mode’ is tegenwoordig het cultureel centrum van Châtelaudren gevestigd.