Afbeelding 1: Van het fabriekscomplex aan de IJsselstraat bleef het ketelhuis behouden en doet tegenwoordig dienst als praktijkruimte.
Om haar naoorlogse expansie mogelijk te maken was Philips er eind jaren ‘40 toe overgegaan om delen van haar productieapparaat vanuit Eindhoven over het land te verdelen. Dit ‘spreidingsbeleid’ concentreerde zich vooral op het zuiden, oosten en noorden van het land, omdat daar op de arbeidsmarkt nog voldoende aanbod was. Bij de locatieselectie keek men vooral naar middelgrote steden die vanuit het verleden al enige ervaring hadden met industriële werkgelegenheid, maar wel bij voorkeur in branches die niet hetzelfde personeelsprofiel hadden. Wat dat betreft kwam het Gelderse stadje Doetinchem in aanmerking, aangezien het met zijn ijzergieterijen, houtverwerking en agro-industrie al een zekere arbeiderstraditie kende, zonder het risico daarbij Philips in het vaarwater te zitten. Er was echter nóg een reden waarom het stadje aan de Oude IJssel in beeld kwam en dat was de samenwerking die er al vóór de oorlog was geweest met de Nemaho: de (eerste) Nederlandsche Maatschappij voor Houtconstructies.
Afbeelding 2: Bouw van een houten spantconstructie door de Nemaho omstreeks 1950.
De Nemaho werd in 1921 opgericht door de Doetinchemse houthandel Horsting en het Duitse bedrijf Hetzer. Laatstgenoemde was gespecialiseerd in de constructie van hallen met gelamineerde houten spanten en had er daarvan recent één gebouwd voor de Vereenigde IJzer Fabrieken (de VIJF) in Doetinchem. Vanzelfsprekend werd deze constructiewijze ook gekozen voor de hal van de Nemaho die gebouwd werd aan de IJsselstraat. In de jaren die volgden sleepte de onderneming diverse prestigieuze orders in de wacht zoals de tentoonstellingshal voor de RAI in Amsterdam (1922), de veemarkthallen in Den Bosch (1929) en een reclametoren voor de internationale handelstentoonstelling in Tilburg (1934). Het was dit laatste object waardoor de aandacht van Philips getrokken werd, omdat ze de nieuwe zendmasten voor haar eigen radio-omroep eveneens in hout wilde laten optrekken. Deze Philips Omroep Holland-Indië, kortweg PHOHI, was in 1927 opgericht om via de korte golf radiocontact te gaan onderhouden met de koloniën. Hout had als voordeel boven staal dat er geen energieverlies optrad als gevolg van zwerfstromen. In 1936 kreeg de Nemaho daarom een opdracht voor de bouw van twee zendmasten van zestig meter voor het radiostation van PHOHI in Huizen. Ze werden op een draaibaar onderstel geplaatst om de antennes optimaal te kunnen richten. In de hoop om nog meer van dit soort grootschalige projecten te kunnen verwezenlijken besloot de Nemaho haar capaciteit uit te breiden door een nieuwe fabriek te bouwen op de Plakhorst, een terrein enkele honderden meters verderop gelegen aan de Oude IJssel. Deze kwam in 1942 gereed, waarna de hal aan de IJsselstraat werd afgestoten, maar voorlopig als gevolg van de oorlogsomstandigheden nog leeg bleef staan.
Afbeelding 3: Luchtopname van het fabriekscomplex aan de IJsselstraat met de portierswoning (1), voormalige Nemaho-hal (2), magazijn (3), grammofoonplatenperserij (4), ketelhuis (5), productiehal voor zendkristallen (6) en kantoorgebouw (7).
Om zo snel mogelijk in Doetinchem van start te kunnen gaan kocht Philips in juni 1947 het terrein van de Nemaho aan de IJsselstraat en liet de houten wanden vervangen door stenen muren. Nog diezelfde zomer gingen zo’n honderd vers aangeworven mannen en vrouwen er aan de slag in de productie van spoelen, weerstanden en condensatoren. Min of meer toevallig werd daar al snel een populair consumentenproduct aan toegevoegd: de grammofoonplaat. Nadat het bedrijf al in de jaren ’30 platenspelers was gaan vervaardigen, verwierf het in 1942 een meerderheidsaandeel in de Hollandse Decca Distributie, een Amsterdamse producent van grammofoonplaten. Na de oorlog bleek deze fabriek te klein om aan de sterk groeiende vraag te kunnen voldoen en ging Philips op zoek naar een uitbreidingslocatie. De keuze viel daarbij op Doetinchem omdat de drogere atmosfeer in het oosten des lands de kwaliteit ten goede zou komen. Binnen korte tijd kwam er naast de Nemaho-hal een nieuwe fabrieksgebouw tot stand met ruimte voor zestien platenpersen, goed voor een jaarproductie van vele miljoenen exemplaren. Daarnaast ging het ruimte bieden aan een laboratorium en een matrijzenmakerij. Een ketelhuis met een veertig meter hoge schoorsteen stond garant voor de stoom om de persen te verhitten. Medio 1949 was de perserij operationeel en kwamen de eerste grammofoonplaten uit de matrijzen, vervaardigd uit schellak en bestemd voor platenspelers van 78-toeren. Voorlopig verschenen de platen nog onder Decca-label, maar vanaf 1950 onder dat van Philips.
Afbeelding 4: Bediening van een grammofoonplatenpers.
De 10-inch platen voor populaire muziek hadden destijds een speelduur van drie minuten, die van 12-inch voor klassieke muziek vier-en-een-halve minuut. In het laboratorium werkte men aan een overstap van schellak op vinyl, een kunststof die het mogelijk maakte om het aantal groeven sterk te vergroten. Door deze ‘minigrooves’ te combineren met een lagere afspeelsnelheid kon er wel dertig minuten muziek op plaat worden gezet. Vinyl was bovendien veel minder breekbaar en minder gevoelig voor ruis. In 1951 verschenen de eerste series in het nieuwe materiaal, waaronder een jubileum-grammofoonplaat ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het bedrijf. Helaas voor Doetinchem was dit avontuur slechts van korte duur. De Philips-directie vond de afstand tussen de opnamestudio’s in Hilversum en verkoop in Amsterdam enerzijds, en de productie en ontwikkeling in Doetinchem anderzijds, verre van ideaal. Besloten werd daarom om al deze activiteiten samen te brengen in de NV Philips Phonografische Industrie met een fabriek en hoofdkantoor in Baarn. Toen deze vestiging eind 1951 open ging betekende dit het einde van de grammofoonplatenproductie in Doetinchem. Vanuit het nieuwe, strategisch gunstig gelegen hoofdkwartier in Baarn begon Philips aan haar verdere verovering van de wereldmarkt voor geluidsdragers, die in de jaren tachtig en negentig met de compact-disc onder het Polygram-label haar hoogtepunt zou gaan bereiken.
Afbeelding 5: Het Philips platenlabel werd in 1950 geïntroduceerd en wordt nu sporadisch nog gebruikt voor heruitgaven.
De vrijgekomen hal aan de IJsselstraat ging door Philips gebruikt worden voor de fabricage van keramische condensatoren en kwartskristallen. Tussen 1958 en 1961 werd het complex nog met een aantal gebouwen uitgebreid, waaronder een kantoor. In 1975 waren er zo’n driehonderdvijftig mensen werkzaam, die toen ook onderdelen voor radiocassetterecorders vervaardigden. Na beëindiging van de productie in 1995 verhuurde Philips het complex tot 2002 aan het Amerikaanse bedrijf Saronix dat er nog zo’n honderd mensen tewerk stelde. Twee jaar later volgde sloop om plaats te maken voor een nieuwbouwwijk met zesenvijftig woningen en een supermarkt. Het ketelhuis met schoorsteen kon echter worden behouden en is na renovatie onderdak gaan bieden aan een praktijkruimte. Overigens is het niet het enige ketelhuis in Doetinchem, want ook dat van de Vredestein-fabriek heeft dankzij herbestemming een tweede leven gekregen. Na het faillissement van Nemaho in 2009 stonden de twee grote hallen met houten spanten aan het Zaagmolenpad jarenlang leeg. Pogingen om dit unieke industrieel erfgoed te redden waren vergeefs en in 2023 werden ze afgebroken om plaats te maken voor een modern bedrijfsgebouw. Naast een Philipsstraat moet ook een Nemahoweg de herinnering aan dit bedrijf in de toekomst levend houden.
Afbeelding 6: Door toepassing van sheddaken heeft de woningbouw een industriële uitstraling.