
Afbeelding 1: De Cité des Ėlectriciens is de oudst nog bestaande mijnwerkersnederzetting van Frankrijk en dateert uit 1856. Na afronding van een omvangrijk renovatieprogramma in 2019 worden de huizen weer bewoond.
Na de oorlog zijn we er aan gewend geraakt dat de benamingen van veel nieuwe beroepen direct uit de Engelse taal worden overgenomen. Maar in een verder verleden was het juist het Frans dat grote invloed had en diverse beroepsnamen in de Nederlandse taal achterliet. Dat was ook nog zo ten tijde van de opkomst van de elektriciteit en daarom kwamen de technici die de benodigde installaties aanlegden, onderhielden en repareerden bekend te staan als elektriciens. Sindsdien zijn benamingen als elektromonteur of installateur meer gangbaar geworden voor dit beroep, maar deze zijn in het verleden evengoed uit het Frans overgenomen. Dat een mijnwerkersnederzetting in Noord-Frankrijk al een eeuw lang ‘Cité des Ėlectriciens’ wordt genoemd zal bij menigeen echter verbazing wekken. De periode tussen beide wereldoorlogen stond weliswaar in het teken van de elektrificatie van steenkolenmijnen, die dankzij elektrische verlichting een stuk veiliger werden, maar hier waren ook weer niet zóveel elektriciens voor nodig dat er een heel dorp voor gebouwd moest worden. Bovendien gaat het in Bruay-la-Buissière om de oudst nog bestaande ‘cité’ van Frankrijk die uit 1856 dateert – tientallen jaren voordat elektriciteit überhaupt voor het eerst werd toegepast – en tot 1926 dan ook eenvoudigweg als ‘cité nr. 2’ werd aangeduid. Voor wie een blik werpt op de straatnamen begint het misschien al iets duidelijker te worden: Rue Ampère, Rue Coulomb, Rue Volta, Rue Branly, Rue Marconi, Rue Faraday, Rue Edison. Stuk voor stuk wetenschappers op het gebied van de elektriciteitsleer en uitvinders van elektrische toepassingen. Een belangrijk deel van de steenkool die de mijnwerkers bovengronds brachten werd gebruikt voor de opwekking van elektriciteit, die op haar beurt weer lampen liet branden en elektromotoren deed draaien in het mijnbouwbedrijf. Genoeg reden dus om deze geleerden en uitvinders te eren met straatnamen, al zullen deze zich waarschijnlijk zelf niet geïdentificeerd hebben met de beroepsgroep die er uiteindelijk voor zorgde dat elektriciteit overal beschikbaar kwam. Voor de mijnwerkers daarentegen waren deze genieën die aan de basis stonden van de elektrificatie van het dagelijks leven ook gewoon ‘électriciens’.

Afbeelding 2: Mijnwerkers verlaten één van de schachtcomplexen van de Compagnie des Mines de Bruay. Het was deze onderneming die Cité nr. 2, later Cité des Ėlectriciens genoemd, liet bouwen.
Voordat in 1720 in Fresnes-sur-Escaut de eerste steenkool van het Noord-Franse steenkolenbekken werd aangetroffen, bestond het gebied dat tegenwoordig Nord-Pas-de-Calais heet hoofdzakelijk uit bossen en landbouwgronden. De grootschalige steenkolenwinning liet nog tot halverwege de negentiende eeuw op zich wachten, maar betekende toen een drastische inbreuk op de levensstijl en het landschap van deze regio. Ter plaatse van een vroegere mergelgroeve in het nabij Béthune gelegen Bruay-la-Buissière begon in 1852 de Compagnie des Mines de Bruay met het graven van een schacht, waarbij drie jaar later op achtennegentig meter diepte de eerste steenkolenlaag bereikt werd. Aanvankelijk waren het boeren uit de omgeving die de steenkool dolven, nadat door onteigening van hun landerijen door de mijnbouwonderneming het agrarisch bestaan voor hen en hun zonen geen toekomst meer bood. Al na enkele jaren volstond deze lokale arbeidsreserve niet meer en begon de ‘Compagnie’ ook elders werkvolk te werven. Telde Bruay in 1850 nog amper achthonderd inwoners, in 1872 was dit al toegenomen tot drieëntwintighonderd en in 1911 bedroeg het inwonertal ruim elfduizend zielen. Om deze mijnwerkers dicht bij het bedrijf te laten wonen besloot de mijndirectie om zelf voor huisvesting te gaan zorgen in de vorm van nederzettingen die eenvoudigweg met een nummer werden aangeduid. Zo verrees Cité nr. 2 in de nabijheid van ‘Puit 1-1 bis’. In plaats van architecten waren het mijningenieurs die de ontwerpen tekenden en daarbij uitgingen van een type wooncomplex dat in Noord-Frankrijk en het aangrenzende Wallonië bekend zou komen te staan als ‘coron’. Het woord is afgeleid van ‘coronnus’, wat in Oud-Frans ‘hoek’ betekent en betrekking had op de blinde gevels aan beide uiteinden van een huizenrij. In feite was het een verbetering van de ‘courée’, twee huizenrijen aan weerszijden van een hofje met gemeenschappelijke pomp en toilet, die enkel via een smalle doorgang vanaf de straat toegankelijk waren (zodat er geen blinde gevels zichtbaar waren). De courées vormden de wooncomplexen voor de wevers en spinners in de textielsteden van Noord-Frankrijk (Lille, Roubaix en Tourcoing) en hadden op hygiënische gebied een slechte reputatie. De corons daarentegen zouden uitgroeien tot de typische arbeidershuisvesting van het landelijk gebied, waar zich de steenkolenmijnen en staalfabrieken bevonden, en moesten daar gezondere woonomstandigheden bieden.

Afbeelding 3: De huizenrijen waaruit de Cité des Ėlectriciens bestaat worden ‘corons’ genoemd en zijn karakteristiek voor de mijnwerkersnederzettingen van Noord-Frankrijk.
Aanvankelijk ging het in 1856 om zevenendertig woningen, waar er tien jaar later nog zes aan toe werden gevoegd, nu gelegen aan de straten die Rue Marconi en Rue Branly heten. De woningen waren verdeeld over zeven huizenrijen, waarvan zes parallel lagen en loodrecht op nummer zeven stonden. Ze beschikten allemaal over een kleine tuin, zodat de bewoners hun eigen groenten konden verbouwen. Zo konden ze besparen op hun dagelijkse uitgaven en nog iets van hun vroegere agrarische levenswijze in stand houden. Uit kostenoverweging was gekozen voor baksteen en pleisterwerk als bouwmateriaal. In de jaren die volgden creëerden de bewoners gezamenlijk de voorzieningen waar nog behoefte aan was: twee bakhuisjes, een waterput, gemeenschappelijke latrines, konijnenhokken en kippenrennen. Kort na de eeuwwisseling voegde de ‘Compagnie’ daar nog stenen schuurtjes en een wasgelegenheid aan toe. Laatstgenoemde faciliteit was overigens aan strikte regelgeving verbonden. De vrouwen kregen één specifieke dag in de week toegewezen waarop ze in het grote zinken bassin hun was konden doen met het daarvoor benodigde kokend water. Daarbij was een toezichthouder aanwezig, die daarnaast ook onaangekondigd huiscontroles verrichtte. Een waterleidingnet voor stromend water in iedere woning zou pas in de jaren vijftig worden aangelegd.

Afbeelding 4: Mijnwerkers met hun gezinsleden voor de poort van Fosse nr.1, het schachtcomplex waarvoor Cité nr.2 gebouwd werd. De Compagnie des Mines de Bruay liet later nog vijf andere Fosses aanleggen, met in totaal achttien schachten.
Gedurende haar bestaan heeft de Cité des Ėlectriciens aan veel buitenlanders onderdak geboden om tegemoet te komen aan de grote vraag naar arbeidskrachten. De bevolkingsregistratie uit 1861 laat zien dat er zich toen onder de honderdtweeënnegentig bewoners vijftig Belgen bevonden. De meeste van hen waren geschoolde technici die tot taak hadden om de beroepsbevolking van de regio op te leiden in het vak. In de jaren twintig duiken er ook andere nationaliteiten in de registers, waaronder Joegoslaven, Tsjechen, Slowaken, maar vooral veel Polen. Deze Poolse immigratiegolf was een direct gevolg van een overeenkomst die in 1919 met Polen was gesloten en het wervingsbureaus mogelijk maakte om in dat land mijnwerkers te rekruteren, of zelfs in de Duitse mijnbouwgebieden waar velen van hen werkzaam waren. Op deze manier kon de Franse mijnbouw zich relatief snel herstellen van de gaten die de Eerste Wereldoorlog in haar gelederen had geslagen. Deze nieuwkomers konden onder andere terecht in de twintig nieuwe woningen die in 1915 waren gebouwd voor het tijdelijk onderbrengen van oorlogsvluchtelingen. Toen in de jaren dertig als gevolg van de economische depressie de kolenproductie instortte werden overigens nogal wat van deze arbeidsmigranten ontslagen en gedwongen gerepatrieerd. Na de Tweede Wereldoorlog waren het vooral Italianen, Algerijnen en Marokkanen die hun werk overnamen, hoewel kleinere aantallen ook uit andere landen kwamen, zodat de mijnregio Nord-Pas-de-Calais uiteindelijk dertig verschillende nationaliteiten telde.

Afbeelding 5: Bouwplan voor eenentwintig woningen ter uitbreiding van Cité nr. 2. Het werd in 1915 gerealiseerd voor de huisvesting van vluchtelingen uit het oorlogsgebied.
Tot aan haar opheffing als gevolg van de nationalisatie van 1946 liet de Compagnie des Mines de Bruay in totaal achttien schachten (puits) graven, verspreid over zes mijnbouwcomplexen (fosses). Fosse nr.1 nabij de Cité des Ėlectriciens werd al in 1930 buiten gebruik gesteld, Fosse nr.6 als laatste in 1982. In de jaren tachtig en negentig sloten ook de meeste andere mijnen van Nord-Pas-de-Calais hun poorten, wat door gebrek aan vervangende bedrijvigheid tot massale werkeloosheid leidde. De regio raakte in een crisis waaraan ze zich nog altijd niet heeft kunnen ontworstelen. Omdat de textielsteden door hetzelfde lot getroffen waren, kwamen er van overheidswege ondersteuningsprogramma’s tot stand waarvan Euralille de bekendste was: een compleet nieuwe zakenwijk in het hart van Lille, inclusief een station voor de hogesnelheidstrein TGV. Als hart van het voormalige steenkolengebied kreeg de stad Lens dan weer een dependance van het Louvremuseum als toeristische trekpleister. Na de eeuwwisseling was het de beurt aan kleinere plaatsen zoals Bruay-la-Buissière om hiervan te gaan profiteren. De Cité des Ėlectriciens kwam in 2009 na een lange periode van verval op de monumentenlijst en werd in de tien jaar die volgden volledig gerenoveerd. Sindsdien zijn alle huizen weer geschikt voor bewoning en is de wijk verrijkt met een boomgaard, plantentuin en interpretatiecentrum, waarin al diverse tentoonstellingen gehouden zijn. De echte parel van het stadje is echter het Piscine Roger Salengro, een zwembad dat in Art-Deco-stijl ontworpen werd door architect Paul Hanote. Het opende in 1936 haar deuren als badgelegenheid voor de mijnwerkers, die er overigens ook tijdens de dagen van hun betaalde vakantie konden recreëren. Deze hadden ze mede te danken aan Roger Salengro, een socialistisch politicus die het bracht tot burgemeester van Lille en minister van binnenlandse zaken in de Volksfrontregering van 1936-’37. In laatstgenoemde hoedanigheid realiseerde hij de veertigurige werkweek en betaalde vakantie, maar viel hij ook ten prooi aan een lastercampagne door extreemrechts. In combinatie met tegenslagen in zijn persoonlijke leven dreef hem dit tot zelfmoord. Zijn begrafenis in Lille bracht honderdduizenden mensen op de been, terwijl Bruay-la-Buissière uit eerbetoon het nieuwe zwembad naar hem vernoemde.

Afbeelding 6: Piscine Roger Salengro werd in 1936 als badgelegenheid voor de mijnwerkers geopend. Na de eeuwwisseling werd dit zwembad in Art-Deco-stijl grondig gerenoveerd en is sindsdien weer erg in trek onder recreatieve badgasten.