Afbeelding 1: Het gebouw van de voormalige suikerraffinaderij van Braunschweig maakt sinds 2002 deel uit van het bedrijvencomplex ARTmax.
Zoals zoveel Duitse vorstendommen was ook het hertogdom Braunschweig (Brunswijk) in de eerste helft van de negentiende eeuw nog grotendeels op de landbouw georiënteerd en haar gelijknamige hoofdstad een ingeslapen residentie. De opening van de eerste Duitse staatsspoorlijn die de stad vanaf 1838 met het twaalf kilometer zuidelijker gelegen Wolfenbüttel verbond bracht daar echter radicaal verandering in. Binnen enkele tientallen jaren ontstond hier één van de dichtste spoorwegnetten van Europa, want als verkeersknooppunt in het centrum van de toenmalige Duitse Bond kon de nijverheid in de stad efficiënt van grondstoffen voorzien worden en bovendien de grondstoffen uit eigen land (ijzererts, bruinkool en kalizout) probleemloos naar elders transporteren. Vanaf 1860 begon de industrialisatie van Braunschweig zich in hoog tempo te voltrekken, waarbij de spoorwegen met hun grote onderhoudswerkplaatsen de leidende sector vormden. Daar kwamen machinefabrieken uit voort die zich in eerste instantie richtten op de bouw van werktuigen en installaties voor twee sectoren die zich binnen de stad snel ontwikkelden: de conservenindustrie, maar vooral de suikerindustrie. Rondom het treinstation en de spoorwegemplacementen aan de westzijde van de stad ontstond zo een omvangrijk industriegebied, dat met de ingebruikname van het ringspoor van de Braunsweigische Landes-Eisenbahn-Gesellschaft in 1886 nog eens een extra impuls kreeg. Ruim vijftig fabrieken en honderd pakhuizen streken hierlangs neer om hun vervoer via een eigen spooraansluiting te kunnen afwikkelen. Toen ruim honderd jaar later de meeste daarvan al weer verdwenen waren besloot het stadsbestuur om het ringspoor geschikt te maken voor voetgangers- en fietsverkeer. In 2019 werd dit ‘Ringgleis’ met een lengte van ruim tweeëntwintig kilometer geopend en was een recreatieroute ontstaan die tevens het industrieel erfgoed van de stad zichtbaar maakt.
Afbeelding 2: In de voormalige suikerraffinaderij is nu een restaurant gevestigd met de toepasselijke naam ´Zucker´.
Nadat de Duitse Tolbond in de jaren dertig van de negentiende eeuw de importheffing op rietsuiker had verhoogd van acht naar twintig Taler, kwam de bietsuikerteelt in diverse gebieden goed van de grond. De Pruisische regio tussen Magdeburg en Halberstadt was daar een vroeg voorbeeld van, dat in 1836 navolging kreeg in Braunschweig, waar een aantal kooplieden het initiatief nam tot oprichting van een drietal suikerfabriekjes. Drie jaar later was één daarvan alweer gesloten omdat de aangevoerde bieten van slechte kwaliteit waren en rietsuikerhandelaren hun prijzen sterk verlaagd hadden om te kunnen blijven concurreren. De andere twee waren daarom maar tijdelijk rietsuiker gaan raffineren om het hoofd boven water te kunnen houden. Toetreding van het hertogdom Braunschweig tot de Tolbond in 1842 betekende dat de rietsuiker het voortaan ook hier moest afleggen tegen de bietsuiker. De vette lössgronden rond Magdeburg, Braunschweig en Hildesheim bleken uiterst geschikt voor de groei van suikerbieten, met hun bovengemiddelde behoefte aan mineralen en voedingsstoffen. In 1849 werd de eerste grote suikerfabriek van het hertogdom Braunschweig gebouwd in Űfingen nabij Salzgitter, dankzij investeringen van een aantal kapitaalkrachtige zakenlieden. Het betrof een Aktiengesellschaft (naamloze vennootschap) en dat gold ook voor de suikerfabrieken die volgden, waarin vooral grote bietenboeren aandeelhouder werden. Die konden op die manier aan de suikerbieten meer verdienen dan aan welk ander gewas dan ook. Het leverde de hen een rijkdom op die was af te lezen aan hun ‘Rübenburgen’ (bietenburchten), zoals hun aanzienlijke villa’s met stallen en schuren in de volksmond bekend kwamen te staan.
Afbeelding 3: Ook in het nabij Salzgitter gelegen Barum was van 1857 tot 1986 een suikerfabriek actief.
Na Űfingen volgde in 1850 een fabriek in Königslutter, in 1851 in Braunschweig, Jerxheim, Offleben en Thiede, in 1856 in Hoiersdorf en een tweede in Königslutter, in 1857 in Barum, Vechelde en Wendessen, in 1864 in Broistedt en Watenstedt, in 1865 in Broitzem en Braunschweig-Eichtal en in 1866 tenslotte in Wierthe. Tegelijkertijd ontstonden er machinefabrieken, zoals de nu nog altijd bestaande Braunschweigische Maschinen Bauanstalt (BMA), die de benodigde ketels, pompen en pijpeninstallaties leverden. Door het grote aantal suikerfabrieken hoefden de boeren nooit veel meer dan tien kilometer af te leggen om hun suikerbieten er met paard en wagen heen te brengen. Op hun beurt beschikten alle suikerfabrieken weer over een eigen spooraansluiting voor het transport van ruwsuiker, melasse en pulp naar de raffinaderij, alcoholfabriek en veevoederproducent. Het vele afvalwater belandde in riviertjes en beken. Omdat de suikerbietenteelt arbeidsintensief was ontstond er al snel een tekort aan dagloners voor dit zware werk, wat leidde tot de komst van seizoenwerkers uit Silezië en Polen, waarvan velen zich na verloop van tijd blijvend zouden vestigen. Velen van hen waren tijdens de bietencampagne ook werkzaam in de drie suikerfabrieken en vijf suikerraffinaderijen die de stad Braunschweig in 1880 telde. Daar maakten de hoge temperaturen het werk zwaar en waren de woonomstandigheden in de huurkazernes bedroevend. Economische neergang en prijsbederf als gevolg van overproductie leidde echter al snel tot bedrijfssluitingen en in 1890 waren alleen nog suikerfabriek Eichtal AG aan de Cellerstraße en de suikerraffinaderij aan de Frankfurterstraße actief. Toen rond 1900 het diffusieproces werd ingevoerd betekende dat weliswaar een capaciteitsverhoging voor de fabrieken, maar met als nadeel dat de boeren enkel nog nat-snijdsel als veevoer geleverd kregen. Dit was veel minder voedzaam dan het restproduct dat in het verleden van de filterpersen afkomstig was. Ze strooiden het liever over de akkers uit dan dat ze het hun varkens te eten gaven. Een nieuwe tegenslag volgde toen Eichtal AG het slachtoffer werd van bedrog rond een grote partij suiker die wel geleverd, maar niet betaald werd. De sterke verlaging van de dividenduitkering die hieruit resulteerde maakte sommige boeren zo boos dat ze hun aandelen weggaven.
Afbeelding 4: Alleen in het nabij Braunschweig gelegen Rautheim zijn de oorspronkelijke gebouwen van de suikerfabriek uit 1864 nog lange tijd behouden gebleven. In 2016 vielen zij echter alsnog ten prooi aan brandstichting.
Na de hyperinflatie van begin jaren twintig kwam er binnen de sector een concentratieproces op gang dat in 1926 een aanvang nam met de fusie van de fabrieken in Űfingen en Broitzem. Eerstgenoemde fabriek werd daarna gesloten, maar wel via een ‘Feldbahn’ met die van Broitzem verbonden, zodat de boeren er nog terecht konden om er hun bieten af te leveren. De oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in 1957 had op termijn weer een reeks fabriekssluitingen tot gevolg. Omdat ‘Brussel’ de prijs van een ton suiker had vastgezet op het lage niveau van 72 D-Mark, begonnen de kleine suikerfabrieken vanaf toen verlies te lijden, omdat hun bedrijfsvoering onvoldoende efficiënt was. Bovendien hadden ze zich beperkt tot de productie van ruwsuiker, die ze aan de raffinaderijen leverden voor verwerking tot witsuiker voor de consumentenmarkt. Grote fabrieken daarentegen waren zelf witsuiker gaan maken aangezien ze daar veel meer aan konden verdienen. Vandaag de dag resteren in de regio Braunschweig enkel nog de fabrieken in Űlzen, Schladen, Clauen en Nordstemmen die alle vier onderdeel uitmaken van Nordzucker AG. Een concern dat tot de wereldspelers behoort maar nog altijd veel landbouwers onder haar aandeelhouders telt en haar hoofdkantoor in Braunschweig heeft. De oogst wordt tegenwoordig binnengehaald met reusachtige bietenrooiers en door vrachtwagens met een laadvermogen van twintig ton naar de fabriek gebracht, waar de bieten volautomatisch tot witsuiker verwerkt worden. Produceerden vijfentwintig suikerfabrieken in de campagne van 1866/67 samen negenduizend ton ruwsuiker uit tweehonderdduizend ton bieten, tegenwoordig neemt een grote fabriek als die van Nordstemmen bij Hildesheim zo’n twee miljoen ton voor haar rekening en weet deze tot ruim driehonderdtwintigduizend ton kristalsuiker te verwerken.
Afbeelding 5: Aandeelhouderscertificaat ter waarde van vijfhonderd Taler in de suikerraffinaderij van Braunschweig.
In 1962 draaide suikerfabriek Eichtal AG haar laatste campagne en werd daarna gesloopt. Het enige industrieel erfgoed dat nu nog herinnert aan het suikerverleden van de stad Braunschweig is de voormalige suikerraffinaderij in de Frankfurterstraße, die overigens al in 1939 werd stilgelegd. Tachtig jaar lang was ze toen operationeel geweest, hoewel het huidige gebouw van recenter datum is. Het werd in 1902 opgeleverd nadat zijn voorganger twee jaar eerder door brand volledig was verwoest. Bovendien ging de raffinaderij verschillende malen in andere handen over, totdat de laatste eigenaar direct na aankoop tot sluiting overging en de machines verkocht. Direct daarna werden de hallen ingezet voor de oorlogsindustrie, met vanaf 1941 Russische krijgsgevangenen als dwangarbeiders. Het gebouw liep nauwelijks bombardementsschade op en kon daarom na de oorlog onderdak gaan bieden aan een verpakkingsmiddelenbedrijf. Sloop dreigde in 1986 toen deze onderneming ging verhuizen naar een nieuwe locatie in het havengebied, hetgeen ternauwernood kon worden voorkomen door plaatsing op de monumentenlijst. Tien jaar later diende zich een investeerder aan met een herontwikkelingsplan, dat naast nieuwbouw ook renovatie van de oude raffinaderij omvatte. Deze vond plaats tussen 1999 en 2002, waarna er kantoorruimtes en een restaurant in ondergebracht werden. In totaal kozen ruim tachtig ondernemingen voor een vestiging in het bedrijvencomplex dat sindsdien onder de naam ARTmax bekend staat.
Afbeelding 6: Hoewel de suikerraffinaderij in 1859 in gebruik werd gesteld, dateert het huidige gebouw uit 1902.